- Zo het loof niet valt voor St. Martijn (11 november), zo zal’t een harde winter zijn.

Het gezegde betekent in modern Nederlands:
> ‘Als de bladeren op 11 november, Sint-Maarten, nog niet van de bomen zijn gevallen, volgt er volgens de volkswijsheid een strenge winter.’
– “Loof” betekent hier:
bladeren of gebladerte.
– St. Martijn:
verwijst naar Sint-Maarten, wiens feestdag op 11 november valt.
– Het eerste “zo”:
heeft de oude betekenis ‘als/indien’:
“Zo het loof niet valt…” = “Als het loof niet valt…”
🕰️ Oorsprong:
Dit is een oude ‘weerspreuk’ uit de agrarische volkscultuur. Boeren probeerden het komende winterweer af te leiden uit natuurverschijnselen, zoals:
– het tijdstip waarop bladeren vielen;
– vogeltrek en diergedrag;
– vroege vorst of sneeuw;
– het weer op kerkelijke feestdagen.
Sint-Maarten gold als een belangrijk ijkpunt in het landbouwjaar:
‘rond 11 november waren de oogsten doorgaans binnen en begon de winterperiode’.
De spreuk berust op de gedachte dat uitzonderlijk laat vallend blad een voorbode van een koude of strenge winter zou zijn.
Vergelijkbare Sint-Maartenspreuken bestaan in verschillende Nederlandse en Europese streken. De formulering kan daarom per bron verschillen, bijvoorbeeld:
> ‘Als het loof niet valt voor Sint-Martijn, zal het een harde winter zijn.’
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gezegde behoort tot de ‘mondeling overgeleverde volkswijsheid’ en is waarschijnlijk generaties lang doorgegeven voordat het in spreekwoorden- en volkskundeverzamelingen werd opgetekend.
Een verzamelaar die de spreuk heeft gepubliceerd, geldt dus niet automatisch als de bedenker ervan.
Het moment van bladval wordt onder meer beïnvloed door:
– boomsoort;
– daglengte;
– temperatuur;
– droogte en bodemgesteldheid.
2. St. Martinus (11 november) warmte en regen, brengt het zaad geen grote zegen.

Het gezegde betekent dat ‘zacht en regenachtig weer rond Sint-Maarten (11 november) ongunstig werd geacht voor het pas gezaaide wintergraan’. Warmte en veel vocht konden volgens boeren leiden tot:
– te snelle of voortijdige groei;
– zwakke jonge planten vóór de winter;
– rotting of andere schade aan het zaad;
– uiteindelijk een minder goede oogst.
“Geen grote zegen” betekent hier dus: ‘weinig voordeel of opbrengst voor het gewas’.
🕯️ Oorsprong:
Dit is een oude Nederlandse ‘weerspreuk of boerenregel’. Zulke spreuken ontstonden uit generaties van waarnemingen op het platteland. Kerkelijke feestdagen dienden daarbij als herkenbare kalenderpunten.
Sint-Maarten, de feestdag van Martinus van Tours op 11 november, viel rond:
– het einde van het agrarische jaar;
– de periode waarin wintergraan al gezaaid was;
– het begin van het winterseizoen.
De spreuk weerspiegelt daarom de gedachte dat het rond die datum beter ‘koel en relatief droog’ kon zijn dan warm en nat.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gezegde behoort tot de ‘mondeling overgeleverde volkswijsheid’ en is waarschijnlijk later in spreukenverzamelingen en almanakken vastgelegd. De rijmende vorm hielp om de regel te onthouden.
🔎 Kanttekening:
Het gaat om traditionele ervaringskennis: plaatselijke waarnemingen werden in een korte, rijmende voorspelling samengevat.
3. Na het feest van St. Maarten (11 november), krijgt de winter schone kaarten.

Dit betekent dat ‘na Sint-Maarten de winter vrij spel krijgt’:
vanaf half november neemt de kans op kou, nachtvorst, sneeuw en ander winters weer duidelijk toe.
„Schone kaarten krijgen”:
is hier beeldspraak uit het kaartspel. Het betekent zoveel als:
– gunstige kaarten krijgen;
– goede kansen hebben;
– vrij spel krijgen.
De winter heeft na 11 november dus als het ware de beste kaarten in handen.
📜 Oorsprong:
Het is een ‘oude Nederlandse/Vlaamse weerspreuk’ uit de ‘agrarische volkscultuur’. Zulke spreuken koppelden weersverwachtingen en seizoenswisselingen aan kerkelijke feestdagen. Sint-Maarten, gevierd op 11 november, gold traditioneel als een belangrijk keerpunt:
– het landbouwjaar liep ten einde;
– vee werd op stal gezet en soms geslacht;
– pachten en lonen werden afgerekend;
– de koude en donkere winterperiode begon.
De spreuk hangt ook samen met het begrip “Sint-Maartenszomer”:
‘een korte zachte periode rond 11 november, waarna het weer vaak kouder werd’.
‘De exacte ouderdom van deze formulering is moeilijk vast te stellen’. De gedachte is waarschijnlijk ‘eeuwenoud’, maar de spreuk is vooral bekend uit latere verzamelingen van volks- en weerspreuken.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gezegde behoort tot de ‘anonieme mondelinge volksoverlevering’. Het is dus geen betrouwbaar aanwijsbaar citaat van een bepaalde dichter of schrijver.
4. Blad aan de bomen met St. Martijn (11 november), dan zal het een strenge winter zijn.

> ‘Als er op Sint-Maartensdag — 11 november — nog veel bladeren aan de bomen zitten, zou daarop een strenge winter volgen.’
Het is een ‘weerspreuk’ of ‘boerenwijsheid’.
Men gebruikte natuurlijke verschijnselen, zoals bladval, diergedrag en windrichting, om het komende seizoen te voorspellen.
🕯️ Oorsprong:
De spreuk komt waarschijnlijk uit de oude ‘Nederlandse en Vlaamse landbouwtraditie’.
Sint-Maarten was vroeger een belangrijk moment op de boerenkalender:
– het veldwerk liep ten einde;
– vee werd vaak op stal gezet;
– pachten en lonen werden afgerekend;
– de wintervoorraad moest gereed zijn;
– men probeerde het winterweer te voorspellen.
Dat er op 11 november nog blad aan de bomen zat, wees op een ‘late of zachte herfst’. In de volksweerkunde nam men vervolgens aan dat de echte kou later, maar des te heviger, zou komen.
Er bestaan meerdere regionale varianten, bijvoorbeeld met formuleringen als:
> ‘Zijn de bomen met Sint-Maarten nog groen, dan zal de winter streng zijn.’
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gezegde behoort tot de ‘mondeling overgeleverde volkswijsheid’ en is vermoedelijk door generaties boeren en plattelandsbewoners doorgegeven. ‘De precieze ouderdom en eerste schriftelijke vindplaats zijn niet met zekerheid vast te stellen.’
5. St. Maarten (11 november) zet zich met veel dank, bij het haardvuur op de bank.

Deze spreuk wil zeggen ‘dat het rond Sint-Maarten, op 11 november, doorgaans koud genoeg wordt om bij het haardvuur te gaan zitten’. Sint-Maarten wordt daarbij als persoon voorgesteld die dankbaar de warmte opzoekt.
Het is dus vooral een ‘kalender- of weerspreuk’:
’11 november gold vanouds als een overgangsmoment van de herfst naar de winter.’
🌾 Oorsprong:
De spreuk komt uit de ‘mondelinge volkstraditie’. Sint-Maarten was vroeger een belangrijke datum in de landbouwkalender:
– de oogst was binnen;
– vee werd geslacht of op stal gezet;
– pachten en lonen werden afgerekend;
– het koude jaargetijde begon;
– binnenshuis werd de haard weer het middelpunt.
De rijmwoorden “dank” en “bank” maken de spreuk gemakkelijk te onthouden. Er bestaan veel vergelijkbare Sint-Maartenspreuken, zoals:
– “Met Sint-Maarten is het winter.”
– “Op Sint-Martijn slacht de boer zijn zwijn.”
– “Is het helder op Sint-Maarten, de winter mag zijn tanden laten zien.”
Sint-Maarten verwijst naar Martinus van Tours (ca. 316–397), wiens feestdag op 11 november wordt gevierd.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
De spreuk geldt als:
– ‘anoniem’;
– afkomstig uit de ‘volksmond’;
– waarschijnlijk later in verzamelingen van weerspreuken en volkswijsheden vastgelegd.
De precieze formulering kan betrekkelijk jong zijn, maar de gedachte erachter — dat rond Sint-Maarten de winterse kou en het stookseizoen beginnen — is veel ouder.
6. Wolken op St. Maarten (11 november) geven een onbestendige winter aan.

“Wolken op St. Maarten (11 november) geven een onbestendige winter aan” is een traditionele ‘weerspreuk’.
De spreuk zegt dat bewolkt weer op Sint-Maartensdag, 11 november, zou wijzen op een winter met:
– sterk wisselend weer;
– afwisselend vorst, dooi, regen en wind;
– weinig langdurige, stabiele winterkou.
Met “onbestendig” wordt dus vooral ‘veranderlijk en onrustig weer’ bedoeld.
📜 Oorsprong:
De spreuk komt voort uit de oude Europese ‘volksweerkunde’. In agrarische gemeenschappen werden weersverschijnselen op belangrijke heiligen- en kalenderdagen gebruikt om het weer van de komende maanden te voorspellen.
Sint-Maarten gold als een belangrijk moment in het landbouwjaar:
– het werk op het land liep ten einde;
– vee werd op stal gezet of geslacht;
– pachten en lonen werden afgerekend;
– men begon zich op de winter voor te bereiden.
Daarom bestaan er veel weerspreuken rond 11 november. Ze behoren tot dezelfde traditie als voorspellingen rond Sint-Medardus, Sint-Jan en Maria-Lichtmis.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gaat om een ‘anonieme volksspreuk’, die waarschijnlijk lange tijd mondeling is overgeleverd en later in verzamelingen van weerspreuken, boerenkalenders en almanakken is opgetekend.
‘De exacte ouderdom en eerste schriftelijke vindplaats van juist deze formulering zijn niet met zekerheid vast te stellen’. De onderliggende traditie gaat vermoedelijk terug tot de late middeleeuwen of vroegmoderne tijd, maar de huidige formulering kan jonger zijn.
7. Nevels in de St. Maartensnacht (11 november), maken de winter kort en zacht.

Deze weerspreuk betekent dat ‘mist of nevel rond Sint-Maarten’ volgens de volkswijsheid een ‘korte, zachte winter’ voorspelt, dus met weinig langdurige vorst en sneeuw.
📜 Oorsprong:
De spreuk behoort tot de oude ‘Nederlandse en Vlaamse weerspreuken’. In de landbouwsamenleving gebruikte men kerkelijke feestdagen als vaste ijkpunten voor het weer en de seizoenen. Sint-Maarten, op 11 november, gold als een belangrijk moment:
– het landbouwjaar liep ten einde;
– vee werd op stal gezet;
– oogsten en voorraden werden beoordeeld;
– men probeerde uit het novemberweer de komende winter af te leiden.
De nacht van Sint-Maarten kan in historische bronnen zowel de nacht van 10 op 11 november als die na de feestdag, van 11 op 12 november, aanduiden. Bij weerspreuken is meestal vooral de periode rond 11 november bedoeld.
Een gangbare variant luidt:
> „Nevel in Sint-Maartensnacht maakt de winter kort en zacht.”
De rijmwoorden „nacht” en „zacht” maakten de spreuk gemakkelijk te onthouden en mondeling door te geven.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gezegde is waarschijnlijk geleidelijk ontstaan in de ‘anonieme volksmond’ en later opgenomen in verzamelingen van weerspreuken en volkskundige literatuur.
Sint-Maartensspreuken hebben vaak middeleeuwse of vroegmoderne wortels, maar zonder een gedateerde historische bron kan aan deze precieze formulering ‘geen betrouwbaar ontstaanjaar of auteur worden verbonden’.
8. Als op St. Maarten (11 november) de ganzen op het ijs staan, moeten ze Kerstmis door het slijk gaan.

> ‘Als het op Sint-Maarten, 11 november, al vriest, zal het rond Kerstmis waarschijnlijk zacht en nat zijn.’
De ganzen staan op 11 november dan op bevroren water, maar moeten met Kerstmis door modder of slijk lopen. Het verwoordt het oude volksgeloof dat een vroege koudeperiode vaak wordt gevolgd door een zachte kersttijd.
🪿 Oorsprong:
De spreuk komt uit de ‘West-Europese agrarische volkscultuur’. Sint-Maarten gold vroeger als een belangrijk moment in het boerenjaar: oogsten waren binnen, pachten werden betaald en vee werd geslacht. Ook werd traditioneel de Sint-Maartensgans gegeten. Daardoor komen ganzen vaak voor in weerspreuken rond 11 november.
Vergelijkbare Duitse varianten zijn bijvoorbeeld:
> ‘Wenn die Gänse auf Martini auf dem Eise geh’n, müssen sie Weihnachten im Schmutze steh’n.’
De Nederlandse spreuk is waarschijnlijk uit dezelfde bredere Germaanse traditie van kalender- en weerspreuken voortgekomen.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gezegde is ‘anoniem ontstaan en eeuwenlang mondeling overgeleverd’. Latere schrijvers en folkloristen hebben het slechts ‘opgetekend’; zij zijn niet de makers ervan.
9. Is om St. Maarten (11 november) nog loof aan de bomen, zo moogt ge van een strenge winter dromen.

In hedendaags Nederlands betekent dit:
> ‘Als er op 11 november nog veel bladeren aan de bomen hangen, zou er een strenge winter volgen.’
– “loof” = bladeren, gebladerte
– “moogt ge … dromen” = kunt of moet je … verwachten
– “St. Maarten” = de feestdag van “Sint-Maarten op 11 november”.
Het gezegde legt dus een verband tussen ‘late bladval’ en een ‘koude, strenge winter’. Dat is traditionele volksweerkunde.
🕯️ Oorsprong:
Het is een ‘oude weerspreuk’ uit de Nederlandse en waarschijnlijk vooral ‘Vlaams-Zuid-Nederlandse volkstraditie’. Dat blijkt onder meer uit de formulering “moogt ge”.
Sint-Maarten was vroeger een belangrijke datum op de landbouwkalender:
– het werk op het land liep grotendeels ten einde;
– vee werd op stal gezet of geslacht;
– pachten en jaarlonen werden geregeld;
– men keek naar natuurverschijnselen om het komende winterweer te voorspellen.
De toestand van de bomen rond 11 november werd daarom gebruikt als voorteken. Zoals bij veel weerspreuken bestaan er verschillende regionale formuleringen.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
. De spreuk behoort tot de ‘mondeling overgeleverde volkswijsheid’ en is later waarschijnlijk opgenomen in spreukenverzamelingen en almanakken.
De veiligste auteursvermelding is daarom:
> ‘Anoniem – traditionele Nederlandse/Vlaamse weerspreuk.’
De ‘precieze datum waarop deze specifieke formulering voor het eerst op schrift verscheen, is zonder een historische bronnenopgave niet met zekerheid vast te stellen’.
10. Brengt St. Maarten (11 november) zonneschijn, zal het een koude winter zijn.

Dit is een ‘weerspreuk’:
als het op 11 november, de naamdag van Sint-Maarten, zonnig en helder weer is, zou daarop een koude winter volgen.
De spreuk berust op traditionele volkswaarneming.
🕯️ Oorsprong:
De spreuk behoort tot de oude Europese ‘kalender- en heiligendagenspreuken’. In de landbouwsamenleving gebruikte men vaste kerkelijke feestdagen als herkenningspunten voor:
– het verloop van de seizoenen;
– de oogst en de veeteelt;
– het begin van winterwerkzaamheden;
– verwachtingen over vorst, regen en sneeuw.
Sint-Maarten, op 11 november, was een belangrijk overgangsmoment tussen herfst en winter. Rond deze datum kwam soms nog een korte periode met zacht of zonnig weer voor, bekend als de ‘Sint-Maartenzomer’. Aan zulke weersverschijnselen werden voorspellingen voor de komende winter verbonden.
‘De precieze ouderdom van deze formulering is niet met zekerheid vast te stellen’. De gedachte is oud, maar de huidige rijmende vorm kan later zijn ontstaan en vervolgens in spreukenverzamelingen en weerkalenders zijn opgenomen.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’
. Het gezegde geldt als:
– anonieme volkswijsheid;
– mondeling overgeleverde weerspreuk;
– onderdeel van de Nederlandse en Vlaamse folklore.
Het is dus beter om als bron “traditionele weerspreuk” of “volksgezegde” te vermelden dan een auteursnaam.
11. Als het blad niet valt voor St. Martijn (11 november), zal ’t een strenge winter zijn.

Dit gezegde voorspelt dat er een ‘koude of strenge winter’ volgt wanneer de bomen rond ‘Sint-Maarten, op 11 november, hun bladeren nog niet hebben verloren.
Het is een vorm van ‘volksweerkunde’:
men gebruikte waarneembare verschijnselen in de natuur als voorteken voor het komende seizoen, het berust vooral op eeuwenlange observatie en overlevering.
🕯️ Oorsprong:
De spreuk komt uit de ‘Nederlandse en bredere West-Europese agrarische traditie’. De feestdag van Sint-Maarten van Tours vormde vroeger een belangrijk ijkpunt in het boerenjaar:
– de oogst was doorgaans binnen;
– vee werd op stal gezet of geslacht;
– pachten en lonen werden afgerekend;
– men maakte zich op voor de winter.
Daarom ontstonden rond 11 november veel weerspreuken. Het vallen of blijven hangen van bladeren werd gezien als aanwijzing voor het verloop van de winter. Er bestaan verschillende varianten, bijvoorbeeld:
– “Als de bladeren niet vallen voor Sint-Maarten, zal het een strenge winter zijn.”
– “Is het op Sint-Maarten nog bladergroen, dan zal men in de winter veel koude zien.”
De precieze ouderdom en eerste schriftelijke vindplaats van deze formulering zijn niet met zekerheid vast te stellen. De gedachte is waarschijnlijk ouder dan de moderne opschrijvingen ervan.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gaat om een ‘anoniem volksgezegde’, dat mondeling van generatie op generatie is doorgegeven en later in verzamelingen van weerspreuken is opgetekend.
12. Donkere St. Maarten (11 november), licht Kerstmis.

> Als het rond ‘Sint-Maarten (11 november)’ donker of somber is, zal het met ‘Kerstmis’ licht of helder zijn.
Het gezegde kan op twee manieren worden uitgelegd:
– Als weerspreuk:
somber, bewolkt weer op Sint-Maarten zou helder weer rond Kerstmis voorspellen.
– Als maan- of kalenderwijsheid:
tussen 11 november en 25 december liggen ongeveer 44 dagen, vrijwel anderhalve maancyclus. Is het rond Sint-Maarten donkere maan, dan kan het rond Kerstmis volle of bijna volle maan zijn — en dus een „lichte” kerstnacht.
„Licht” betekent hier daarom in de eerste plaats ‘helder of door de maan verlicht’, niet noodzakelijk een witte kerst met sneeuw.
📜 Oorsprong:
Het is een oude ‘Nederlandse/Vlaamse volksspreuk’, behorend tot de traditionele kalender- en weerspreuken rond heiligendagen. Sint-Maarten was vroeger een belangrijk ijkpunt in het landbouwjaar: de oogst was binnen, vee werd geslacht of op stal gezet en men keek vooruit naar de winter.
Zoals bij veel weerspreuken berust de uitspraak vooral op:
– volkswaarneming;
– kalenderkennis;
– mondelinge overlevering;
– rijm en tegenstelling: ‘donker ↔ licht’.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gezegde is ‘anoniem volksgoed’ en is waarschijnlijk gedurende lange tijd mondeling overgeleverd voordat het in verzamelingen van spreekwoorden en weerspreuken werd opgetekend.
Varianten zijn onder meer:
– „Donker Sint-Maarten, lichte Kerstmis.”
– „Donkere Sint-Maarten, lichte Kerst.”
– „Is Sint-Maarten donker, dan wordt Kerstmis licht.”
13. Als het nevelig is met St. Martijn (11 november), dan zal de winter niet koud zijn, maar heeft de Sint een witte baard, dan blijft ons sneeuw nog ijs gespaard.

Het gezegde is een oude ‘weerspreuk rond Sint-Maarten’, de feestdag van Sint-Martinus op 11 november:
– ‘Nevel of mist op Sint-Maarten’ zou wijzen op een ‘zachte winter’.
– Heeft Sint-Maarten een „witte baard” — ligt er sneeuw of rijp — dan zou de winter juist veel ‘sneeuw, vorst en ijs’ brengen.
Met de „witte baard” wordt dus beeldend bedoeld dat het landschap op 11 november wit is geworden.
Taalopmerking:
Waarschijnlijk hoort de laatste regel te luiden:
> „…dan blijft ons sneeuw ‘noch’ ijs gespaard.”
‘Noch’ betekent hier „en ook geen”:
sneeuw én ijs zullen ons niet bespaard blijven. Het woord ‘nog’ in de aangehaalde versie is vermoedelijk een verschrijving of een latere verbastering.
📜 Oorsprong:
De spreuk komt uit de Europese ‘boeren- en volksweerkunde’. Vóór de komst van betrouwbare weersvoorspellingen gebruikte men vaste heiligendagen als ijkpunten voor het komende seizoen. Sint-Maarten viel precies in de overgang van herfst naar winter en kreeg daardoor veel weerspreuken.
Ook in het Duits en in regionale dialecten bestaan vergelijkbare spreuken, bijvoorbeeld over mist op Martini als voorteken van een zachte winter en een „witte baard” als aankondiging van vorst. Het gaat daarom waarschijnlijk om een oud, mondeling overgeleverd motief dat later in verschillende vormen is opgeschreven.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het gezegde geldt als een ‘anonieme volksspreuk’, ontstaan en veranderd door mondelinge overlevering. Sint-Martinus zelf is dus niet de auteur; zijn naamdag dient alleen als kalenderdatum en beeldspraak. De precieze formulering kan relatief jong zijn, terwijl de onderliggende weerswijsheid veel ouder is.
14. Staat met St. Maarten (11 november) op ’t ijs de gans, zo houdt ze Kerstmis in ’t water een dans.

> ‘Als er op Sint-Maarten (11 november) al genoeg ijs ligt om een gans erop te laten staan, dan zal het met Kerstmis juist zacht zijn en zal de gans weer in open water kunnen zwemmen.’
“Een dans houden in het water” is een dichterlijke manier om te zeggen dat de gans vrij in het onbevroren water rondzwemt.
De onderliggende gedachte is dat ‘vroege winterkou vaak wordt gevolgd door een zachtere periode rond Kerstmis’.
📜 Oorsprong:
Dit is een oude ‘weerspreuk uit de volksmond’.
Zulke spreuken:
– koppelden weersverschijnselen aan vaste heiligendagen;
– hielpen boeren om het seizoen te duiden;
– werden mondeling doorgegeven en later in almanakken en spreekwoordenverzamelingen opgenomen.
Sint-Maarten, de feestdag van Martinus van Tours, gold vanouds als een belangrijk markeringspunt voor het begin van de winter. De gans past goed in de spreuk omdat zij een zichtbare water- en boerderijvogel was en bovendien verbonden is met de traditie van de ‘Sint-Maartensgans’.
Er bestaan verschillende varianten, bijvoorbeeld:
> “Als de gans op Sint-Maarten op het ijs staat, zal zij met Kerstmis door het slijk gaan.”
Ook de kortere gedachte “Sint-Maarten wit, Kerstmis zwart” behoort tot dezelfde familie van weerspreuken.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
De spreuk is ‘anoniem ontstaan’ en behoort tot de ’traditionele volkswijsheid’. Een auteur van een almanak of spreekwoordenboek kan de spreuk hebben opgetekend, maar is daarom niet de bedenker.
‘Het exacte ontstaan en de eerste schriftelijke vermelding van juist deze formulering zijn moeilijk vast te stellen’, omdat er al vroeg meerdere regionale versies circuleerden.
15. De Missie van St. Maarten (11 november), brengt ons de winter in ’t herte.

Het gezegde betekent dat rond Sint-Maarten, op 11 november, het winterseizoen merkbaar zijn intrede doet. De kou wordt dan niet alleen buiten gevoeld, maar als het ware „tot in het hart”:
> Na Sint-Maarten begint de winter echt voelbaar te worden.
Juiste lezing:
Waarschijnlijk moet het woord „Missie” worden gelezen als „misse” of „mis”:
> ‘De misse van Sint-Maarten brengt ons de winter in ’t herte.’
– ‘misse’ = oude of gewestelijke vorm van ‘mis’, de kerkelijke viering;
-‘ ’t herte’ = oude of dialectische vorm van ‘het hart’;
– in hedendaags Nederlands:
„De mis van Sint-Maarten brengt ons de winter in het hart.”
„Missie” in de betekenis van ‘opdracht’ past hier dus niet en is vermoedelijk een latere verschrijving of verkeerde modernisering.
Oorsprong:
De spreuk komt voort uit de ‘christelijke en agrarische volkskalender’. De feestdagen van heiligen fungeerden vroeger als herkenbare ijkpunten voor:
– het weer en de seizoenen;
– het einde van de oogst- en veldwerkperiode;
– het slachten en inslaan van wintervoorraden;
– betalingen, pachten en jaarmarkten.
Sint-Maarten van Tours werd op 11 november gevierd. In West-Europa gold deze datum traditioneel als een overgang van de late herfst naar de winter. Vandaar ook andere Sint-Maartenspreuken over kou, vorst en sneeuw.
Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het betreft een ‘anonieme volksspreuk’, waarschijnlijk mondeling overgeleverd en later in verzamelingen van weerspreuken en spreekwoorden opgetekend. Door die mondelinge overlevering bestaan er verschillende spellingen en regionale varianten.
16. Al moet St. Maarten (11 november) een mantel dragen, hij moet toch wandelen in zomerse dagen.

Dit is een ‘weerspreuk’ (weervoorspelling in gezegdevorm) die verwijst naar een merkwaardig natuurverschijnsel rond 11 november:
– 🥶 Hoewel het rond deze tijd van het jaar al ‘kil genoeg is om een mantel/jas te dragen’
– ☀️ Valt er vaak toch nog een periode met ‘verrassend mild en zonnig weer’.
Dit fenomeen staat ook wel bekend als de “Sint-Maartenszomer” — vergelijkbaar met het Engelse “Indian Summer” of het Duitse “Altweibersommer”. Het is een korte, onverwachte terugkeer van zacht herfstweer vlak voor de winter echt inzet.
🕯️ Oorsprong:
De legende van Sint-Maarten:
Het gezegde speelt bewust met de bekende ‘mantellegende’:
– Sint-Maarten van Tours (ca. 316–397) was Romeins soldaat
– Hij sneed zijn ‘mantel doormidden’ om de helft te geven aan een bevroren bedelaar
– Dit symbool van naastenliefde is de kern van alle Sint-Maartenstradities (lampionnenoptocht, Maartensgans, etc.)
De weerkundige component:
– Boeren en burgers in de Lage Landen hielden eeuwenlang ‘heiligendagen’ bij om het weer en de seizoenen te voorspellen
– Rond 11 november (het officiële begin van de winterperiode in de oude landbouwkalender) werd vaak nog een ‘warme, zonnige nazomer’ waargenomen
– Deze observatie werd vastgelegd in talrijke ‘boerenweerspreuken’.
✍️ Auteur:
🚫 ‘Geen bekende individuele auteur’
Dit gezegde behoort tot de categorie: ‘volksgezegden / weerspreuken’:
– Ontstaan door ‘mondelinge overlevering’ door generaties boeren en burgers heen.
– Pas later vastgelegd in ‘almanakken, spreukenboeken en folkloristische verzamelingen’ (vanaf 16e–19e eeuw)
– Typisch voor de agrarische weerkundetraditie, net als spreuken over Sint-Jan, Maria-Lichtmis, en andere heiligendagen.
17. Is het donkere lucht op St. Martijn (11 november), zo zal het een zachte winter zijn, maar is de dag van St. Martijn helder, de vorst dringt door tot menig kelder.

Het gezegde is een ‘weerspreuk rond Sint-Maarten’, de feestdag van ‘Martinus van Tours op 11 november’:
– Een ‘donkere, bewolkte lucht’ op 11 november zou een ‘zachte winter’ voorspellen.
– Een ‘heldere, onbewolkte dag’ zou wijzen op een ‘strenge winter’, waarbij de vorst zelfs diep doordringt — “tot menig kelder”.
Met ‘donkere lucht’ wordt dus een sombere of bewolkte hemel bedoeld, niet dat het vroeg donker wordt.
📜 Oorsprong:
De spreuk behoort tot de oude ‘volksweerkunde’.
In de agrarische samenleving golden kerkelijke feestdagen als vaste ijkpunten voor weersvoorspellingen. Sint-Maarten viel rond het traditionele begin van de winterperiode en was bovendien een belangrijke kalenderdag voor:
– het beëindigen van het landbouwjaar;
– het slachten en inslaan van wintervoorraden;
– het betalen van pachten en huren;
– de voorbereiding op de winter.
Ook elders in Europa bestaan vergelijkbare Sint-Maartenspreuken waarin helder weer op 11 november met koude of vorst wordt verbonden.
De gedachte kan deels zijn ontstaan doordat heldere novembernachten sneller afkoelen, terwijl bewolking warmte vasthoudt.
✍️ Auteur:
Er is ‘geen bekende individuele auteur’.
Het is een anonieme volksspreuk die mondeling is overgeleverd en later in verzamelingen van weerspreuken en volkswijsheden is opgetekend.
De precieze rijmende formulering kan door een latere verzamelaar of redacteur zijn vastgelegd, maar de onderliggende weerswijsheid is ouder en behoort tot de collectieve volkstraditie. Daarom wordt als auteur doorgaans vermeld:
> ‘Anoniem / Nederlandse volksweerkunde’.
18. Als de ganzen op 11 november over de ijsschotsen gaan, dan gaan ze met Kerst door de modder.

19. Sint Maartenszomer.

20. Al moet Sinte Merten een mantelken dragen, hij moet toch nog wandelen in zomerse dagen.

Maandspreuken november:
21. Op deze Veteranendag staan we stil en zijn we dankbaar voor al diegenen die in oorlogen hebben gevochten, zodat we allemaal van onze vrijheid kunnen genieten. De moed en het risico dat deze mannen en vrouwen hebben genomen, zullen niet worden vergeten.

22. Een donkere Sint Maarten een lichte Kerstmis.
