13 januari

 Als het op St. Hilarius (13 januari) vriest, de boer zes weken niest. 2. Geeft St. Hilarius (13 januari) zonneschijn, weldra zal het kouder zijn. 3. Als het op Sint Hilarius (13 januari) vriest, zes weken winter aan een stuk. 4. Op de dertiende van januari, geen vorst, dan is het wonderbaar. 5. Als het… Lees verder 13 januari

12 januari

Gelijk januari, zo ook juli. 2. In januari ziet de boer liever een wolf in het veld, dan een ploeg. 3. Als het op 12 januari regent, is de zomer in de lucht verwent. 4. Op 12 januari, als de lucht helder is, komt de vorst met een grote grijs. 5. Als ’t op 12… Lees verder 12 januari

11 januari

Is januari nat, leeg blijft dan het vat. 2. Als het in januari mistig is, dan wordt de lente fris. 3. Als het op 11 januari regent, is de zomer niet ver weg. 4. Op 11 januari de zon zien, brengt een vroege lente misschien. 5. Als het op 11 januari sneeuwt, komt de lente… Lees verder 11 januari

10 januari

Nevel in januari, geeft een nat vroeg jaar. 2. In januari veel regen en snee, doet bergen, dalen en bomen wee. 3. Als in januari de vorst niet komen wil, dan is zij er zeker in april. 4. Als het op 10 januari sneeuwt, dan wordt de zomer heel goed. 5. Blaast de wind uit… Lees verder 10 januari

9 januari

1. In januari veel regen, brengt de vruchten weinig zegen. 2. Als in januari de muggen zwermen, dan moogt gij in maart uw oren wermen. 3. Als het op 9 januari regent, dan is het een nat jaar. 4. Op 9 januari, als de lucht helder is, komt de vorst zeker. 5. Als het op… Lees verder 9 januari

8 januari

Als het gras groeit in januaar, groeit het slecht het hele jaar. 2. Geeft januari een sneeuwtapijt, dan zijn we gauw de winter kwijt. 3. Als het op 8 januari regent, dan is de zomer niet ver weg. 4. Sneeuw op 8 januari, brengt een koude februari. 5. Als de lucht op 8 januari helder… Lees verder 8 januari

7 januari

Januari zonder regen, is voor de boerenstand een zegen. 2. De eerste zeven dagen des jaars zijn lotdagen. 3. Als het op 7 januari regent, dan is de winter nog niet ten einde. 4. Op 7 januari, is de winter nog maar pas daar. 5. Als het op 7 januari sneeuwt, dan is de lente… Lees verder 7 januari

6 januari

Zoals de wind op Driekoningen (6 januari) staat, staat hij bijna het hele jaar. 2. Driekoningen (6 januari) maken de brug, of breken de brug. 3. De Driekoningen (6 januari) doen de dagen lengen, en de nachten strengen. 4. Als ’t Driekoningen (6 januari) is in het land, stapt de vorst in het Vaderland. 5.… Lees verder 6 januari

5 januari

Geeft januari een sneeuwtapijt, dan zijn we de winter snel kwijt. 2. Draagt januari een sneeuwwit kleed, wordt de zomer zeer heet. 3. De vorst van kou en ijs die houdt van looien. Hij heeft zijn hermelijnen vacht op het veld en weg gespreid. Zo toont hij mens en land zijn macht, hij zal nog… Lees verder 5 januari

4 januari

Vriest het in de elfde nacht, zes weken vorst wordt er dan verwacht. (De elfde nacht na Kerstmis). 2. De dagen van Nieuwjaar tot Dertiendag zijn gelingd, binst dat ’n hond over ’n richel springt. 3. Als de dagen lengen, begint de winter te strengen. 4. Januari zonder sneeuw maar met veel regen, brengt de… Lees verder 4 januari