21 april

Grasmaands regen, zomermaands zegen. 2. Geeft april veel regen, zo brengt het rijke zegen. 3. Donder in april, is wat de landman wil. 4. Aprilse aren, die zijn er al jaren. 5. Het weer in april: regen en zonneschijn samen. 6. Als het dondert in april, verheugt zich de landbouwer. Maar vlieg en schaap, hebben… Lees verder 21 april

20 april

April koud en nat, veel koorn in het vat. 2. Een natte april, dan doet de boer wat hij wil. 3. Grasmaands gril, is hooimaands wil. 4. Een natte april, hebben de boeren hun wil. 5. Bloeien de bomen tweemaal op een rij, zal de winter zich rekken tot mei. 6. Geen maand april of… Lees verder 20 april

19 april

Roept en tiert wat je wil, ik (koekoek) kom toch niet voor half april. 2. Vroeg gras, geen gras, laat gras genoeg gras. 3. Een natte april belooft veel vruchten. 4. April is bot, doch slijpt het gras en knipt de bladeren. 5. Goed gebouwd is beter dan slecht gemest. Maandspreuken april: 6. Vandaag is… Lees verder 19 april

18 april

 Laat het weer zijn zoals het wil, ontkleed u niet voor half april. 2. Sneeuwt april nog op onze hoed, ’t is voor de druiven en koren goed. 3. Met aprilse koeken, lap je geen broeken.   4. Het grasken dat in april wast, staat in mei vast. 5. Snelle grasgroei verstikt de bloem, daar… Lees verder 18 april

16 april

De vrouwen en aprillen, ze hebben bei hun grillen. 2. April koud en mei warm, geen boer wordt er arm. 3. De echtelijke staat is als de maand april, nu zonneschijn, dan storm, dan weer stil. 4. Warme aprilregen, is vast een grote zegen. 5. April guur en nat, geeft veel koren in het vat.… Lees verder 16 april

15 april

Blaast april op zijn hoorn, is dat goed voor gras en koorn. 2. Broedt de spreeuw vroeg in april, er is een schone meimaand op til. 3. Op St. Justijn (15 april) ,doodt de koude het venijn. 4. April regen, boerenzegen. 5. Als de hoenders kakelen lang en goed, zal het regenen in overvloed. 6.… Lees verder 15 april

14 april

1.  April veranderlijk en guur brengt hooi en koren in de schuur. 2. Op St. Tiburtius (14 april) na de noen, worden alle velden groen. 3. Op St. Tiburtin (14 april) na de noen (3 uur namiddag), worden alle velden groen. 4. April maakt de bloem, en mei bekomt de roem. 5. Bloeien de bomen… Lees verder 14 april

13 april

April doet wat ‘ie (hij) wil. 2. Aprilvlokjes geven meiklokjes. 3. Regen in april en wind in mei, maakt de boeren blij. 4. Aprilse vlokjes, brengen meise klokjes. 5. April docht wat er wol. 6. Ongehoorzaam zijn in de natuur, brengt onheil op den duur. Maandspreuken april: 7. April in Parijs, kastanjes in bloei, feesttafels… Lees verder 13 april

12 april

Mag het dauwen in april en mei, wij zijn in oogst en september blij. 2. Maart houdt de ploeg bij de staart, april houdt ze weer stil. 3. April heeft menige gril. 4. April koud en nat, vult zak en vat. 5. Nachtvorst met een Zuidenwind op kersenbloem, daar treurt de kweker om. 6. Bedenk… Lees verder 12 april

11 april

1. Wie zich zelfe bemint, wachte zich voor maartse zon en aprilse wind. 2. Noordenwind in april en mei, maakt augustus en september blij. 3. Maartse zon en aprilse wind, bederven menig schoon kind. (Dan krijgen kinderen sproeten). 4. Geeft april geen groei aan het gras, in de mei komen bloemen ras, Maandspreuken april: 5.… Lees verder 11 april